Filipijnse tapijtschelp
- Biota - Animalia - Mollusca - Bivalvia - Autobranchia - Heteroconchia - Euheterodonta - Imparidentia - Venerida - Veneroidea - Veneridae - Tapetinae - Ruditapes

SynoniemenAndere namen die je in de literatuur tegen kan komen | : | aziatische tapijtschelp, japanse tapijtschelp, Venerupis philippinarum |
ExoskeletEen versteviging van het lichaam aan de buitenkant en direct zichtbaar | : | ja 1 |
| Schelp | : | ja 1 |
| Vorm | : | ovaal |
| Tweekleppig | : | ja 1 |
| GelijkkleppigBij tweekleppigen of de linker- en de rechterklep min of meer gelijk zijn | : | ja 2 |
| LengteVan apex tot opening, voornamelijk bij stoottanden | : | 75 mm |
| SymmetrischLigt de apex in het midden van de schelp | : | nee 2 |
| ApexHet eerst gevormde deel van de schelp (top). | : | voor het midden |
| Umbo
| : | Buigt naar voren (prosogyr) 2 |
| AchterrandBij tweekleppigen de zijde waar de sipho's uitkomen | : | afgeknot 3 |
| Onderrand | : | glad |
| OstracumHet ostracum is de tweede laag van de schelp. Deze laag, ook wel prismalaag of porseleinlaag genoemd, bestaat uit calciet, of uit calciet en argoniet, wat voornamelijk bestaat uit calciumcarbonaat. Het zijn kleine primatische kristalletjes die loodrecht staan op de buitenste laag en dan prismalaag heet of als gekruiste lamellen en dan porceleinlaag heet. In beide gevallen hebben we het nog steeds over het ostracum. | : | ja 2 |
| Kleur | : | variabel, een witte basis met meestal een grijs of bruin patroon van streken, maar kan ook bijna geheel wit voorkomen. |
| Structuur | ||
| ParallelDe structuur parallel aan de groeilijnen | : | richels het sterkst aan de voor- en achterkant |
| HaaksDe structuur haaks op de groeilijnen | : | ribben het sterkst aan de achterkant |
| RichelsEen structuur die parallel loopt aan de roeilijnen/ groeirichting | : | ja 2 |
| LunulaBij tweekleppigen een veldje voor de umbo dat min of meer duidelijk begrensd is. Ook bekend als maantje. | : | ja 2 |
| Beschrijving | : | gerekt hartvormig |
| AreolaBij sommige tweekleppigen te onderscheiden omzooming van de lunula | : | duidelijk 2 |
| AreaEscutcheon of rugveld; Een min of meer duidelijk begrensd langwerpig veld achter de umbonen bij een deel van de tweekleppigen, naast en achter het uitwendig ligament. In het algemeen is het afwijkend van sculptuur van de rest van de schelp. | : | duidelijk 2 |
| LigamentHet ligament zorgt ervoor dat de kleppen in rust toestand open staan. Door het gebruik van de sluitspieren kan het dier de kleppen sluiten. Het ligament is gemaakt van conchioline. Het ligament kan inwendig en/of uitwendig zijn. Het inwendige deel heet het resilium en is een prop concioline die de kleppen open drukt. Het uitwendige deel heet het tensilium en bestaat uit een band conchioline die de kleppen open trekt. Het tensilium bevindt zich nabij de apex van de schelp. | : | ja 2 |
| TensiliumHet uitwendige ligament dat als een band zichtbaar is en de schelpkleppen open trekt. | : | ja 2 |
| Vorm | : | dik, eliptisch gebogen tot bijna de helft naar de achterkant |
| Kleur | : | bruin |
| TandenDe tanden zorgen ervoor dat de twee kleppen netjes op elkaar sluiten:
| : | Heterodont 4 |
| CardinaalDe cardinale tanden liggen direct onder de top en zijn vaak wat kort en stomp. | : | ja 4 |
| Aantal | : | 3 |
| Linker klep | : | ja |
| Beschrijving | : | middelste tand gespleten |
| Rechter klep | : | ja |
| Beschrijving | : | middelste en achterste tand gespleten |
| LateraalDe laterale tanden liggen wat verder verwijderd vanaf de top en zijn vaak wat langer gerekt. | : | nee |
| HypostracumDe binnenste van de drie lagen (niet altijd aanwezig) ook wel parelmoerlaag genoemd. Deze laag is opgebouwd uit koolzure kalk die is afgezet in zeer dunne bladvormige kristallen. Wordt gemaakt door de gehele mantel. | : | nee 4 |
| Binnenzijde | : | 3 |
| Kleur | : | wit met soms paars of geel |
| Sluitspierindruksels | : | ja 2 |
| Aantal | : | 2 2 |
| Vorm | : | van gelijke grootte |
| Mantellijn | : | ja 2 |
| Beschrijving | : | valt niet samen met de mantelbocht, maar vormt er aan de onderzijde een V-vorm mee. |
| Mantelbocht | : | breed en stomp en valt deze nergens samen met de mantellijn 3 |
| Beschrijving | : | diep maar niet voorbij het midden |
| Lichaam | : | ja 1 |
| Mantel | : | ja 1 |
| Voet | : | ja |
| Kleur | : | oranje |
| Siphonen | : | ja |
| Aantal | : | 2 |
| Beschrijving | : | kort, de zwarte punten zijn gescheiden aan het eind, kunnen volledig in de schelp getrokken worden. |
| Ademhalingsorgaan | : | ja 4 |
| Kieuwen | : | ja 4 |
| Type
| : | Lamellibranch 4 |
| Habitat | : | Zand met slik en zand met grind. Jonge exemplaren hechten zich met de byssus aan stenen in het litoraal en hoog in het sublitoraal. Volwassen exemplaren leven tot schelp lengte ingegraven |
| Diepte | : | 1-10 m |
| Temperatuur | : | ≤20 °C. |
| Zomer | : | 18-20 °C. |
| Verspreiding | : | Van oorsprong in het zuidelijke deel van de Okhotsk Zee, Japanse Zee en in de Gele en Oost Chinese Zee. In de jaren 1930 geintroduceerd aan de Pacifische kust van Noord-Amerika met de import van oester zaad. In het begin van de 20ste eeuw ook vanuit Japan naar Hawaii getransporteerd waar zich nu ook een populatie bevindt. Door overbevissing verdween bijna de Geruite tapijtschelp. Om toch aan de vraag naar tapijtschelpen te kunnen voldoen werd de Japanse tapijtschelp in 1972 door de Fransen gekweekt. In de UK werden exemplaren uit Oregon (USA) geimporteerd waarna vanuit daar de soort werd geintroduceerd in verschillende Europese wateren (Portugal, Ireland, Spanje, Italië). |
| Exoot | : | ja |
| Bevruchting | : | vrij in zee |
| Larvale fase | : | 2 tot 4 weken, de schelpen zijn dan tussen de 190 en 235 µm |
| Levensverwachting | : | 14 jaar |
| Websites | : | |
| Bronnen | : |